Het zal nu al weer zo’n acht jaar geleden zijn geweest dat ik als directeur van de Pensioenfederatie door de Tweede Kamer was uitgenodigd om deel te nemen aan een ronde tafel. Aan de orde was nieuwe wet- en regelgeving op het terrein van pensioenen. De Kamer wilde onder meer weten wat de mogelijke gevolgen waren en of het allemaal uitvoerbaar was. Ik kon tijdens die hoorzitting mijn cynisme over de in mijn ogen obligate belangstelling voor de uitvoerbaarheid van de wet- en regelging niet verbergen. Tijdens mijn 17,5 jaar als ambtenaar bij SZW, waaronder het laatste jaar verantwoordelijk voor uitvoeringsinstanties als UWV en SVB, had ik maar al te goed ervaren dat uitvoering ondergeschikt was aan politieke wensen. De voorzitter van de Commissie die de ronde tafel leidde merkte mijn cynisme. Ik kreeg een stevige schrobbering van haar. De Kamer nam de uitvoeringsproblematiek wel degelijk serieus, zo zei ze. Mijn antwoord daarop dat ik dat verheugend nieuws vond maakte mijn beurt er niet beter op.

De werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties en de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag laten zien dat de Tweede Kamer meer aandacht heeft gekregen voor de uitvoering. Op het pensioenterrein is daar jammer genoeg nog niets van te merken. Integendeel.

Het recept voor problemen bij de uitvoering bevat vele ingrediënten. Twee ingrediënten die vrijwel altijd terugkomen zijn; een te korte invoeringstermijn en complexe -dus onbegrijpelijk voor de burger- regelgeving.

Bij het wetsvoorstel dat de éénmalige uitkering op pensioenleeftijd mogelijk maakt zien we dat complexe en voor de burger onbegrijpelijke regelgeving gewoon weer deel uitmaken van het recept. Tijdens de parlementaire behandeling van dat wetsvoorstel werd duidelijk dat het voor de hoogte van de netto-uitkering uitmaakt op welk moment in het jaar de éénmalige uitkering wordt uitgekeerd. Dat is het gevolg van bestaande complexe fiscale wetgeving. Vervolgens werd er middels een nota van wijziging voor gekozen om in het wetsvoorstel dan maar een alternatief opname moment voor die uitkering op te nemen. De Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars hebben gezamenlijk gewezen op welke ongelukken er, als gevolg van deze wijziging op het laatste moment, kunnen gebeuren. De Kamer trok zich er niets van aan.

Als het gaat om de introductie van de nieuwe nabestaandenregeling zien we de uitvoeringsproblemen nu al aankomen. Vanuit de Kamer wordt aangedrongen op invoering daarvan per 1 januari 2022. Het wetsvoorstel waarin die nieuwe nabestaandenregeling wordt opgenomen zal naar verwachting in juni 2021 bij de Tweede Kamer worden ingediend. Het is maar de vraag of publicatie in het Staatsblad voor 1-1-2022 zal geschieden. We dreigen hier dus te maken te krijgen met een ultra korte invoeringstermijn. Het zal mij niet verbazen als
een zelfde scenario voor de introductie van het uniform partnerbegrip aan de orde is. En of de pensioensector per 1-1-2022 ook even aan de nieuwe wet pensioenverdeling bij scheiding – die nu nog in de Tweede Kamer ligt- uitvoering wil geven.

Daarnaast worden kansen om de uitvoering te vereenvoudigen gemist, denk bijvoorbeeld aan de weigering van de Minister van SZW om de gegevensverstrekking van het UWV ingeval van faillissement van een onderneming aan een pensioenuitvoerder goed te regelen.

Er zij twee rode draden bij deze voorbeelden te onderkennen. De eerste is dat het kabinet laat zien lessen te willen trekken uit het verleden. De eigen de eigen uitvoeringsorganisaties, zoals de Belastingdienst en het UWV, worden ontzien. Dat is een positieve ontwikkeling. Het is tegelijkertijd volstrekt onvoldoende. Het antwoord op de uitvoeringsproblemen is het introduceren van uitvoerbare wet- en regelgeving en een redelijke invoeringstermijn. Daar is de burger mee geholpen. Nu wordt de uitvoeringsproblematiek slechts doorgeschoven van de uitvoeringsorganisaties waar het kabinet voor verantwoordelijk is naar de uitvoerders in de pensioensector.

De tweede rode draad is dat politieke wensen en ambities prevaleren. Of die wensen en ambities uiteindelijk ook uitgevoerd kunnen worden is kennelijk van ondergeschikt belang. Kennelijk scoort men in de politieke door in de wet “leuke dingen voor de mensen” op te nemen ook al is dat onuitvoerbaar. Gaat het vervolgens fout in die uitvoering dan wijst de beschuldigende vinger zelden naar de politiek en maar al te vaak richting de uitvoering.

Als het kabinet en Kamer een zelfde gedrag blijven vertonen bij de aankomende behandeling van het wetsvoorstel dat de grootste pensioenhervorming in de geschiedenis van dit land moet regelen, mogen we ons grote zorgen maken. Het tot op heden gecommuniceerde tijdpad van start van de wetsbehandeling in tweede kwartaal 2021 en afgehandeld door beide Kamers voor 1-1-2022 is in ieder geval niet hoopgevend.

Zolang de genoemde rode draden niet verdwijnen zullen ook in de toekomst nog vele onderzoeken naar waar het mis ging in de uitvoering volgen. Als er niet snel een koerswending komt zal de pensioenuitvoering straks op dat lijstje van onderzoeken staan.

Gerard Riemen, partner bij Sprenkels en Verschuren