Met veel bombarie is op 5 juni 2019 het Pensioenakkoord tot stand gekomen. Oorspronkelijk ging dit vooral over de herziening van ons pensioenstelsel in de 2de pijler. Uit de rapporten Frijns en Goudswaard van januari 2010(!) bleek namelijk dat ons 2de pijlerpensioenstelsel kwetsbaar was en dat de pensioenkosten sterk zouden gaan oplopen. En dat is ook gebeurd. Van een 97,5%-zekerheidsgarantie van het pensioen is al sinds de inwerkingtreding van de Pensioenwet in 2008 bij de meeste pensioenfondsen geen sprake. En toch behandelen we het pensioen nog steeds alsof er een bepaalde garantie zou zijn en schuiven we de problemen vooruit.

Na 10 jaar lijkt er dan toch eindelijk een akkoord te zijn. Lijkt, want of dat daadwerkelijk het geval is, moet nog blijken. Het Pensioenakkoord gaat vooral over de AOW en niet over ons 2de pijler pensioenstelsel. Door cynici wordt het dan ook wel het ‘AOW-akkoord’ genoemd. En verder zijn er afspraken gemaakt om pensioenkortingen te voorkomen. Veel zaken moeten nog uitgewerkt worden. Over één punt is het Pensioenakkoord wel heel concreet: de jaarlijkse ‘pensioeninkoop’ moet op basis van de marktrente + UFR plaatsvinden. En juist dit ene concrete element in het Pensioenakkoord is door de vakbonden al vrij snel na het Pensioenakkoord in twijfel getrokken.

Voor mij is het überhaupt onduidelijk waarom we nog steeds die rekenrente voor pensioeninkoop en waardering willen gebruiken. Dit betekent namelijk dat er bij elke rentewijziging een impliciete herverdeling plaatsvindt. Beter zou het zijn om iedereen zijn eigen (uit de premie gevormde) pensioenpotje te geven inclusief het rendement daarop en daarnaast een bepaalde solidariteitspremie te vragen die collectief gebruikt wordt voor het opvangen van meer of minder onverwachte tegenvallers en aangevuld wordt met overmatige meevallers. Dit kan vormgegeven worden via de variant van het nieuwe pensioencontract met beperkte risicodeling.

Maar blijkbaar willen we ook blijven werken met een voor deelnemers optisch duidelijke, maar in werkelijkheid misleidende, rekenrente. Waarom zou er bij de ‘pensioeninkoop’ (en de jaarlijkse waardering van pensioen) dan een marktrente gehanteerd moeten worden? Is dat niet een relict van het oude stelsel? Hiermee suggereren we immers, dat er een garantie wordt gegeven op het ‘ingekochte’ pensioen. Als er straks toch verlagingen nodig zijn, zullen deelnemers het moeilijk blijven vinden om deze te accepteren. Volgens mij moeten we daarom bij de ‘pensioeninkoop’ en de ‘waardering’ van de pensioenen werken met de marktrente + een algemene opslag voor ingerekende beleggingswinsten. Dat betekent wel een risicovoller pensioen. En dan moeten we in het nieuwe pensioenstelsel niet meer spreken over een jaarlijkse ‘pensioeninkoop’, want daarvan is geen sprake: ook niet als je daarbij een marktrente zou hanteren. Het pensioen varieert jaarlijks.

Ik steun daarom de oproep om de marktrente los te laten. De vraag is echter of de vakbonden een risicovoller pensioen ook echt willen. Eerder hebben zij de plannen hiervoor afgewezen door (naar mijn mening onterecht) van een ‘casino-pensioen’ te spreken. Maar nu moeten zij de keuze maken: of met een risicovoller pensioen de huidige pensioenambitie handhaven of beperkt risico’s willen lopen, maar dan moet ook de pensioenambitie fors naar beneden bijgesteld worden.

Zowel Koolmees als de vakbonden moeten dus ‘door de pomp’. De nood is hoog. Maar ik heb goede hoop dat ze eruit komen. De eerste tekenen zijn zichtbaar. Een onderzoek naar het afschaffen van garanties tegelijk met de afschaffing van de rekenrente kan de opmaat worden. Ik neem aan dat uiteindelijk de ratio de boventoon gaat voeren. Ook bij de stuurgroep. Iedereen in de pensioenwereld doet er daarom verstandig aan zich goed voor te bereiden op de ontwikkelingen die nu hopelijk snel zullen volgen.

Tom Dimmendaal

Deze blog is op persoonlijke titel geschreven..

NB: Bekijk ook onze nieuwsberichten over het Pensioenakkoord. Deze is te vinden in de rubriek Actueel Nieuws.